top of page
Watergruwel

illustratie Maurice Hof

Bedachtzaam boog Abigaël haar vingers boven haar ogen om zijn kleine figuur naar zee te volgen. Water boezemde angst in. Ze had nooit zwemmen geleerd. Hugo daarentegen rende manhaftig door de brekers van de branding. Ging een gevecht met de golven niet uit de weg. Het verveelde al snel, het nakijken van die uitslover met zijn afgetrainde torso. Een opkomende zeebries deed huiveren. In een reflex schoof Abbi’s linkervoet over het meegebrachte avondblad. Haar grote teen verborg een zwart kruis waaronder te lezen stond dat de bekende danseres I.D. gisteren verongelukt was te Nice. Hugo kwam aanlopen en schudde zich als een hond boven haar uit. Zoute tranen drupten op Isadora. ‘Duncan is dood,’ zei ze.

‘Wie?’

‘Isadora Duncan.’

‘Zegt me niets.’ Abigaël zweeg. Isadora had zich vlinderend door het leven bewogen, schijnbaar gewichtsloos op de voorvoeten naar het allerhoogste gereikt. Hugo hield zich op zijn tweeëntwintigste liever bezig met roeien en privaatrecht. Geen wonder dat hij nooit van haar had gehoord. Abigaël vloog overeind en klemde zich vast aan zijn bovenlijf. ‘Kom, laten we dansen!’

‘Waarom?’

‘Om het leven te vieren!’

‘Laat me Abbi, ik heb het koud.’ Ze drukte zijn handdoek om beider middel, vlijde nog dichter tegen haar aanstaande aan, hem meetrekkend in driekwartsmaat. ‘Laat los, je bent geen kind meer.’ Hugo rukte zich vrij en stapte geërgerd zijn pantalon in, gebarend dat ze geacht werd zich te haasten. ‘Ma wacht op ons!’ Tergend langzaam bond Abigaël haar verwaaide haren op.

‘Ik heb met Rosie afgesproken!’ Zijn verongelijkte grimas, hoe dit hem vanbinnen deed koken, kende ze maar al te goed. Daarom keek ze niet naar hem op. Het leven was te kort. Korter dan zijn moeders rokken waaraan hij maar bleef hangen. Rosie zou Abbi’s kopzorgen wegknippen. Abigaël zei er maar niets over tegen Hugo. Soms trok hij de spelden uit haar wrong en kamde met zijn vingers de donkerbruine strengel over haar schouders uit. Een moment waarop ze de twijfel liet varen. Maar het was zo old-fashioned. Ze moest meegaan met de tijd. Rosie had zich twee zomers geleden al een bob bij Muriels laten aanmeten. Bij haar brutale blik verbleekte iedere bimbo.

 

Rare vogel

In de salon speelde oude Edward op zijn klarinet. Tijdens een paar maten rust verwisselde hij razendsnel van riet en glimlachte vanonder zijn hoed naar Abbi. Onzeker draaide ze zich van hem af. Het was wennen. Een boblijn. Geen vitrage meer om schroom mee af te schermen. De meeste stoelen waren opzijgeschoven. Rosie fladderde als een opgeschrikte vogel bovenop tafel de charleston. Met gesloten ogen tapte Abbi zittend op een stoel de maat mee. Zou er in de hemel gedanst worden?

‘And this song is for the Colleen Moore from Goes.’ Edward likte langs zijn droog gespeelde lippen, nam een diepe ademteug en blies vervolgens lang uit in het mondstuk van zijn houten blaasinstrument. Een lazy jazz vormde paren op de dansvloer, de lonely Janes dropen af naar de bar. Al spelend bewoog Edward zich naar Abbi’s plaats.
‘You’ve got it!,’ gierde Rosie later op weg naar huis. ‘Wat een knipbeurt al niet kan doen!’ Abbi haalde haar schouders op: â€˜He’s just a funny old bird!’

 

Oorschelp

Half over Rosie heen gelegen, rookte Abbi de zoveelste sigaret. Ze hield zichzelf wakker in het eenpersoonsbed van haar vriendin met wier schouderschokjes, in staccato op een haperende ademhaling, ze vertrouwd was. Al vanaf hun zesde deelden ze met tussenpozen een bed. Abbi sliep nooit. Die paar uur waarin ze licht wegzakte, telde ze gemakshalve niet mee. Ze had uitgerekend hoeveel extra tijd iemand kreeg door niet te slapen. Stel, je werd dertig jaar. Daarvan versliep je een derde en gooide op die manier tien jaar overboord. Door niet te slapen kon Abbi veertig worden. Ze stapte op de houten vloerdelen en schoof de gordijnen open. Voor een tweede maal bloeide de schijnhazelaar. Zijn zachtgele klokjes drongen zich op aan het blad. Ze moest eens kappen met het ophouden van de schijn. ‘Hoe is Hugo?’ vroeg Rosie.

‘Hoe bedoel je?’
‘Nou je weet wel, hoe is hij…’
‘Hij ontwijkt me.’

 

Zijn gevoel voor haar leek dood. Koud. Bevroren. Geregeld legde Abigaël haar handen rond de volle borsten, tastend naar gave stukjes lijf om uit te kaderen. Een centimeter warme huid. Oorschelp in een handpalm die zich naar een omgekeerde foetus vormde. De licht aflopende neusvleugels. Ademen. Gewoon doorademen. Als ze zichzelf opdeelde, viel ermee te leven. Hugo zag het familiekapitaal en sloot zijn ogen voor de rest. Nooit zei hij dat het allemaal wel goed zou komen. Hij vond vast dat het haar eigen schuld was. Maar het was de schuld van het water.

 

Playtime

Aan het granito aanrechtblad met daarop de weckpotten vol ingelegd fruit, vierde de dood in de pot hoogtij. Lusteloos roerde Abigaël door de zachtgekookte gort in het annagroene schaaltje. Het deed haar kokhalzen. ‘Eet nou maar Abbi, het is goed voor je.’ De wekelijkse pan watergruwel van oma, met een overdaad aan suiker om aan te sterken, begon tegen te staan. Als geronnen bloed verkleefde het bessensap met haar gehemelte. Zou ze eenmaal met Hugo gehuwd zijn, behoorde deze betutteling tot het verleden.
‘Oma, u maakt het te zoet, ik ben al zo zwaar.’
‘Dat is vocht, kind, geen vet.’ Abigaëls onderlichaam dijde uit als een waterbekken; al het opgespaarde vocht sijpelde lichtjes door naar de enkels en schonk haar de benen van een bejaarde. Ze nam een hap. En nog één, totdat het schaaltje leeg was. Hugo stond in de deuropening van de keuken. Een afkeurende blik gleed over haar kortgeknipte haar.
‘Het maakt je dikker,’ zei hij en draaide zich om. 

 

Twee weken vanaf vandaag en ze kon het tij niet meer keren. Abigaël cirkelde in haar verlovingsjurk voor de spiegel rond. De halslijn liep over in twee afhangende vlindermouwtjes die beide schouders blootlegden. Ze besloot om in haar eentje de salon te bezoeken. Zelden of nooit begaf ze zich zonder compagnon onder de  mensen. Ze ging uit met Rosie of Hugo, met of zonder zijn vrienden Lefert en Stef. Het was vroeg. De bandleden dronken hun eerste gin aan de bar. Over het gladde blad van de toog schoof een soda pop Abbi’s kant op. Edward draaide op een barkruk zijn klarinet in elkaar, vette de kurken ringen zodanig in dat de tussenstukken soepel in elkaar gleden. Toen ze hem opviel, floot hij zachtjes tussen zijn tanden. ‘Héy doll, voor wie ben jij zo mooi?’
‘Voor niemand in het bijzonder.’
‘Daar geloof ik niets van.’ Hij klopte op de lege kruk naast hem, waarop Abigaël ging zitten.
‘Die kerel van je is gek.’
‘Hoe weet jij dat ik een kerel heb?’
‘Ik heb je met hem gezien. Eén keer. Toen leek hij meer in die dumb Dora geïnteresseerd, die zich hier wekelijks op tafel staat uit te sloven, dan in jou.’
‘Alle mannen kijken naar Rosie.’
‘Ik zie jou liever!’
‘Ben je me aan het versieren, oude man?’
‘Zo oud ben ik nou ook weer niet.’
‘Hoe oud?’
‘Tweeënvijftig, en jij?’
‘Twintig, over drie maanden ben ik oud genoeg, dan krijg ik mijn geld.’
‘Ben je dan een rijke dame?’
‘In 1915 zijn mijn ouders verongelukt, hun kandijfabriek is overgedaan. Als ik eenentwintig ben, krijg ik als enig kind mijn deel.’
‘Daar vertel je me wat.’
‘Ik herinner me mijn ouders niet meer. Vind je dat niet vreemd? Ik was acht toen ze stierven. Dan heb je toch herinneringen?’ Tijdens een pleziertochtje sloegen ze overboord. Drie dagen later vond men de opgezwollen lijken terug tussen het riet. Zij had ze niet mogen zien.
‘Ik vind het vreemd dat je hier zonder man zit.’
‘Hugo. Hugo heet hij. Hugo vindt voornamelijk zichzelf goed gezelschap.’
‘En jij? Vind jij hem goed gezelschap?’ Abigaël zweeg. Ze wist het niet. En eigenlijk kon dat haar niet zoveel schelen. Vanavond niet.
‘Hey Ed, playtime!’ Edward gleed van zijn barkruk, terwijl hij langs Abbi glipte, rustte zijn hand een paar seconden lang op haar blote schouder. Zijn hete vingers brandmerkten de naakte huid. Ongemerkt gaf hij het vlees een teken.

 

Schaduwen

Rosie was voor een week naar Duitsland. Haar vader probeerde zijn jongste, en lastigste, dochter over te halen om een studie te doen in Marburg. Rosie had Abigaël toevertrouwd niet chantabel te zijn maar een weekje vakantie niet af te slaan. Het was een warme namiddag. September zomerde flink na. De vochtige lucht liet zich zwaar ademen. Abigaël dacht aan Edward op zijn klarinet. Aan hoe lang hij een toon kon aanhouden. Geniet maar van het leven, zolang dat kan. De cardioloog had makkelijk praten. Ze bracht een beetje Tabac Blond aan op haar hals en forceerde zich tot een wandeling naar het plein. Daar zat Edward, onder de enorme kastanje, aan dezelfde tafel als waar ze hem eerder had gezien. Toen hij Abbi aan zag komen, wenkte hij haar naar zich toe. ‘Een soda pop, doll?’ Abigaël knikte en schoof een extra stoel aan. ‘Kussen we nu of later?’
‘Zo’n vrouw ben ik niet.’
‘Ik plaag maar wat!’ Edwards haar was strak naar achter gekamd. Op zijn zwarte klarinetkoffer lag zijn onafscheidelijke hoed. ‘Ben je altijd zo vroeg klaar met je werk?’
‘Ik werk niet.’
‘Omdat je binnenkort zwemt in het geld?’
‘Nee, werken vergt teveel van mijn lichaam..’
‘Wat is er mis met jouw lichaam?’
‘Ik heb een zwak hart.’
‘Te weinig liefde?’
‘Te weinig pompkracht.’ Edward bestelde nog een glas. Abbi keek naar een kraai met maar één poot die bedreven een kaantje pikte.
‘Kom, dan laat ik je zien hoe een arme muzikant woont!’
‘Moet je straks niet spelen?’
‘De salon is vanavond afgehuurd voor een of andere privé party. Ik weet er het fijne niet van. Er speelt een gelegenheidsband.’ Edward schraapte zijn keel en ging staan om aandacht te trekken van de ober.
‘Dus je hebt vrij?’
‘Inderdaad, alles staat nog open. Dat geldt ook voor jou!’ Hij legde muntgeld op het dienblad en bood zijn arm aan. Abigaël haakte in. Waarom ook niet? Gearmd liepen ze onder de schaduw van de kastanjeboom vandaan, alsof ze dat al jaren zo deden, terwijl Hugo, die ze van kindsbeen af kende, een vreemde bleef. 

 

Tussen de grossierderij van Jimmink en Angélique’s hoerenkast ingeklemd woonde Edward in een pijpenla van twee bij zes. Abigaël streelde langs een rij vergeelde boekruggen die in de volle zon op zijn vensterbank stonden. ‘Amerikaanse pulp. I love it! ‘ zei Edward en trok haar bij het raam vandaan. ‘Die kerel van je is gek.’ Als een lijkwade waaierde Abbi’s verlovingsjurk over zijn zwarte muziekkoffer uit. ‘Zul je niet verdrietig zijn?’
‘Om wat?’
‘Als ik dood ben. Ik ga eerder dan jij.’
‘Duncan ging in de kracht van haar leven. Leeftijd biedt geen garantie.’
‘Statistisch gezien heb ik minder tijd voor me liggen dan jij.’
‘Statistisch gezien word ik niet ouder dan dertig.‘
‘Hoe kom je daar zo bij?’
‘Dat is mijn toekomstperspectief volgens de cardioloog. En weet je? Soms vind ik dat niet eens erg. Als iedere stap me naar adem doet snakken dan ben ik blij dat ik nog maar tien jaar hoef.’ Edward trok met zijn mond, sloeg de sprei over hen heen en kroop dicht tegen haar aan. Niet veel later hoorde Abbi zijn rustige, diepe ademhaling. Ze wachtte de eerste zangvogels af. Vogels kwamen eerder dan het licht. Voorzichtig, om Edward niet te wekken, verliet ze het bed. Toen ze de straat opging, zwalkte er aan de overkant een lichtelijk aangeschoten vrouw. Ze meende op het hoofd de donkerblauwe clochehoed van haar vriendin te herkennen. Die met het flamboyant geknoopte lint om mannen te strikken. Maar Rosie zat in Duitsland.

 

Watergruwel

‘Sodemieter op met die zooi!’ Nooit eerder was ze zo uitgevallen tegen oma tot vandaag. En alsof dat niet genoeg was, sloeg Hugo de keukendeur hard tegen de muur aan en versperde de opening. ‘Wat is er loos?’
‘Houd je maar niet van de domme! Rosie heeft je gezien!’
‘Rosie? Die zit in Marburg.’
‘Haar vader is verlaat. Ze vertrekt pas overmorgen.’ Abbi spoelde het schaaltje bessengort door de gootsteen, liep langs oma heen en duwde Hugo opzij op weg naar buiten. Voor zich uit prevelend repeteerde ze haar rijtje `dingen-waar-ze-blij-van-werd´: Duinsabelsprinkhaan op slangenkruid, jeukzaadjes uit rozenbottels drukken, witroze hazenpootjes langs je enkels en een warme nazomerochtend zoals vandaag. Toen ze het duinpad afgelopen  was, rolde ze zich van de strandopgang af tot vlak aan zee. Moe, ze was ineens zo moe.

 

Het gekletter van een heel bataljon aan flesjes deed Abigaël opschrikken. Stef, Lefert en zijn meisje kegelden honend lege bierflesjes naar de golfbreker. En Rosie? Hoorde ze Rosie ook? Ze kon niet omkijken. Haar hoofd lag plat achterover. Hugo’s vrienden leken al behoorlijk wat op te hebben. Abbi probeerde overeind te komen maar lag als lokaas vastgenageld in het zand. ‘Straks wordt het vloed!’ Dat was Hugo. ‘Je weet wat dat betekent liefje, ik zou maar niet zo blijven liggen als ik jou was!’ Gehurkt aan haar voeten, legde hij een laatste knoop. â€˜I’m sick of love. Hoe kon je? Getting a crush on an old man! Ontken maar niet. Het staat als een paal boven water!’ Hugo ging rechtop staan, rekte zich uit, knakte zijn vingers kootje voor kootje en keek op haar neer. De ribbels achter de nu nog droge vloedlijn drukten als een wasbord in haar rug. ’Dag Abbi!’

 

Abbi zag een stralend blauwe lucht. Geen wolkje te bekennen. Met handen en voeten onder aan de zwarte paalhoofden gebonden, kon ze geen kant op. Hun weghollende voetstappen stoven door het mulle zand. Het koude water klotste kil tegen haar voetzolen aan.
‘Kom terug! Maak me los!’ riep ze. Maar de meeuwen overschreeuwden haar.

 

‘Wie o wie nog een slok?’ Scheutig ging de pils de vriendenkring rond. In de beschutting van de duinpan was het ongewoon warm. De alcohol maakte slaperig. Echt helder denken was er niet meer bij.
‘Hugo!’ Het was het schelle stemgeluid van Rosie dat hen overeind deed schieten. ‘Hoe laat is het?’ Hugo rende het duin op. Van het strand restte slechts een dunne strook. De palen waaraan ze haar hadden vastgepind stonden onder water.

 

Dagvlinder

Edward speelde bij eb voor de palissaden. De zwarte paalhoofden stonden eerbiedig op een rij. Het eerste hoofd droeg zijn hoed. Die verloofde, die geldjager, had haar de stuipen op het lijf willen jagen. Meer niet. Dat had die lafaard tegen de politie gezegd. Volgens de patholoog-anatoom, dezelfde die indertijd sectie op Abbi’s ouders had verricht, was ze al bezweken nog voordat haar longen zich met het zoute water hadden gevuld. Gered door een zwak hart. Edward beet zijn riet kapot. Voordat hij het strand verliet, keek hij nog eenmaal om. Een dagvlinder danste op de opkomende wind.

 

Dit korte verhaal stond in het NHD van 29 december 2012

bottom of page